VENTILATIE-EISEN IN HET KB ARBEIDSPLAATSEN
IN THEORIE EN PRAKTIJK
Te muf, te droog, met een onaangenaam geurtje … klachten over verluchting en binnenklimaat zijn in publieke gebouwen – en in het bijzonder in kantoren – schering en inslag. Ook wanneer dat gebouw aan de EPB-regels inzake niet-residentiële ventilatie voldoet. Die laatste zijn immers meer begaan met het energetisch aspect van ventilatie en blijken in geen geval een garantie op een goede binnenluchtkwaliteit. Nieuwe bepalingen in het KB Arbeidsplaatsen, in voege sinds mei 2019, moeten daar een mouw aan passen. We bespreken de belangrijkste eisen, in theorie en praktijk.
CODEX OVER HET WELZIJN OP HET WERK
De Codex over het welzijn op het werk omvat een hele reeks wettelijke bepalingen die als specifiek doel hebben om het comfort en de veiligheid van werknemers op hun arbeidsplaats te verzekeren. Dit KB heeft niet alleen betrekking op nieuwe gebouwen of grondige energetische renovaties, maar geldt evenzeer voor bestaande werklokalen en arbeidsplaatsen.
Hoewel het KB oorspronkelijk slechts beperkte aanbevelingen gaf inzake binnenluchtkwaliteit – de oorspronkelijke wet dateert van 1996 – werd in 2016 voor het eerst een concrete eis inzake de CO2-concentratie in werklokalen in de wetteksten opgenomen. In mei 2019 werden die ventilatie-eisen bijgesteld, en in het najaar volgt de publicatie van een bijhorende code van goede praktijk.
IN THEORIE
Meer aandacht voor uitvoerbaarheid
In tegenstelling tot wat men zou verwachten, zijn de nieuwe ventilatie-eisen in het KB Arbeidsplaatsen minder streng dan deze uit 2016. Die laatste waren immers zodanig strikt dat de compatibiliteit met EPB, alsook de praktische uitvoerbaarheid, in het gedrang kwamen. In overleg met de bouwsector werd de voorbije drie jaar derhalve gewerkt aan een haalbaar alternatief, dat een grotere sensibilisering omtrent luchtkwaliteit met zich mee zal brengen.
Eisen
Een eerste bekommernis in de herziening van het KB was een verruiming van de CO2-waarde als indicator van luchtkwaliteit. In combinatie met een eis op de emissie van materialen werd zo een versoepeling van de oorspronkelijke 800 ppm mogelijk.
Concreet geldt nu:
- dat er een risicoanalyse van de binnenluchtkwaliteit in de werklokalen uitgevoerd moet worden, rekening houdend met het debiet van de aangevoerde lucht en de mogelijke bronnen van verontreiniging;
- dat de CO2-concentratie in werklokalen gedurende minimum 95 % van de gebruikstijd lager moet liggen dan 900 ppm (bij een buitenconcentratie van 400 ppm) of dat er gedurende diezelfde periode per aanwezige persoon een minimumdebiet van 40 m3/u gerespecteerd moet worden;
- dat er enkel onder bepaalde voorwaarden, waaronder het voldoen aan het KB Vloerbekleding en het zo veel mogelijk vermijden van verontreinigingsbronnen, gebruikgemaakt mag worden van een alternatieve en minder strenge eis van max. 1.200 ppm (bij een buitenconcentratie van 400 ppm) of min. 25 m3/u per aanwezige persoon;
- dat, enkel wanneer er bevochtigings- of ontvochtigingsinstallaties aanwezig zijn, de gemiddelde relatieve luchtvochtigheid over een werkdag steeds meer dan 40 en minder dan 60 % moet bedragen; tenzij de werkgever kan aantonen dat de lucht geen risicovolle agentia bevat, in welk geval de relatieve luchtvochtigheid steeds tussen 35 en 70 % moet liggen.
IN DE PRAKTIJK
Hoewel bovengenoemde eisen soepeler zijn dan de maximale eis van 800 ppm uit 2016, zullen ze doorgaans wel strenger zijn dan deze van de EPB-regelgeving. Zodoende zullen ze in veel gevallen aanleiding geven tot een grotere dimensionering van ventilatiesystemen dan vandaag gangbaar is. Wat dit concreet inhoudt, hoe vooropgestelde prestaties gerealiseerd moeten worden of wanneer metingen, controles en onderhoud moeten plaatsvinden, is onderwerp van de praktijkrichtlijn die in het najaar van 2019 verschijnt.
Hou in ieder geval al rekening met het volgende:
Bestaande gebouwen
Het KB geldt in wezen voor alle gebouwen waarin mensen werkzaam zijn. Gebouwen of lokalen die met een bouwaanvraag na 1 januari 2020 gebouwd, verbouwd of gerenoveerd worden, zullen zonder uitzondering aan de eisen moeten voldoen.
Voor bestaande gebouwen is er iets meer manoeuvreerruimte. Zijn zij niet conform, dan moet er een actieplan opgesteld worden met daarin de technologische en/of organisatorische maatregelen om “binnen afzienbare termijn” aan de eisen te kunnen voldoen.
Uitzonderingsregel
Indien de werkgever in zijn risicoanalyse kan aantonen dat de werklokalen vrij zijn van verontreinigingsbronnen en een bevoegd preventieadviseur zijn akkoord geeft, mag er volgens het KB gebruikgemaakt worden van een lagere debieteis of een hogere CO2-concentratie. Omdat er in België (nog) geen specifieke classificatie voor emissiearme materialen bestaat, volstaat het in de praktijk voorlopig om te voldoen aan het KB Vloerbekleding.
Verantwoordelijkheden
Het KB is in de eerste plaats gericht aan de werkgever, maar impliceert ook heel wat andere partijen. Voor nieuwbouw zal de verantwoordelijkheid – vanwege de doorslaggevende rol van dimensionering – bijvoorbeeld bij het studiebureau komen te liggen, terwijl in bestaande gebouwen – waar het vaststellen van de huidige situatie en het opstellen van een actieplan centraal staan – vooral de preventieadviseur aan zet is.
De installateur draagt in ieder geval in beide situaties de verantwoordelijkheid over de correcte uitvoering en het oordeelkundig onderhoud van de ventilatiesystemen. Afhankelijk van het pad dat de bouwheer of het studiebureau kiest, worden ook die zaken complexer.
Debiet of CO2-concentratie?
Het KB geeft twee mogelijkheden: ofwel voldoet het ventilatiesysteem aan een bepaalde debieteis, ofwel wordt ervoor gezorgd dat de CO2-concentratie onder een bepaald niveau blijft. Er moet aan slechts een van beide voorschriften voldaan zijn, en de keuze voor het een of het ander is vrij.
De debieteis is wellicht eenvoudiger te vertalen in een concreet ventilatieontwerp, maar dankzij simulaties kan dat ook steeds gemakkelijker op basis van een bepaalde CO2-concentratie. Bovendien laat het KB ook toe dat er organisatorische maatregelen genomen worden om de CO2-grens te bewaken. Afhankelijk van de situatie is het dus mogelijk dat de debieten toch gereduceerd kunnen worden.
Voor de technicus zal de lat met de intrede van de prestatie-eis in ieder geval hoger komen te liggen. Hij zal er namelijk op moeten toezien dat het ventilatiesysteem optimaal kan presteren. Dat betekent dat onder andere ventilatie-efficiëntie voor hem veel hoger op de agenda zal moeten komen te staan. Installeert hij wel het overeenkomstige debiet, maar zijn de roosters zodanig geplaatst dat de ruimte niet volledig doorspoeld wordt, dan zal de maximale CO2-concentratie immers alsnog overschreden worden. En daar kan de installateur dan weer op afgestraft worden.
Onderhoud
Concrete voorschriften voor het onderhoud van niet-residentiële ventilatiesystemen vallen niet onder de bepalingen van het KB, maar worden opgenomen in de praktijkrichtlijn. Toch ziet het belang van een regelmatig nazicht zich ook meermaals in de wettekst bepaald. Zo vormt het een bepalende factor binnen de risicoanalyse en kan een onderhoudscontract beschouwd worden als een van de organisatorische maatregelen om aan de prestatie-eisen te voldoen. Bouwheren en gebouwbeheerders zullen dus noodgedwongen meer op deze zaken moeten inzetten, en opnieuw zal de lat voor de installateur of onderhoudstechnicus hoger komen te liggen.
Comfortklachten
Hoewel het vernieuwde KB een belangrijke stap zet richting comfort en binnenluchtkwaliteit, kunnen comfortklachten in de praktijk nooit volledig uitgesloten worden. Zelfs het beste gebouw zal met 5 à 6 % klagers te kampen krijgen; een normaal gebouw met zo’n 10 %. In vergelijking met de IDA 3-klasse die vandaag in de EPB-regelgeving gehanteerd wordt, echter – een binnenluchtkwaliteitsklasse die zoals gesteld uitgaat van 30 % ontevredenen – betekent dat in ieder geval een aanzienlijke verbetering.
Toch is het niet alleen het subjectieve karakter van binnenklimaatklachten dat dergelijke cijfers in de hand werkt. Ook het grote aantal fysieke invloedsfactoren speelt daarin een rol. Naast de temperatuur, het vochtgehalte en de CO2-concentratie hebben immers ook geuren, VOC’s, formaldehyden … een impact op het comfort van de aanwezigen. Omdat zij veel moeilijker (en duurder) te meten zijn dan CO2, wordt verdere controle op dergelijke stoffen echter enkel uitgevoerd wanneer comfortklachten ook bij aantoonbaar lage CO2-concentraties blijven aanslepen.